Gespot: ‘Waarom spreken juristen niet gewoon Nederlands?’

Gespot: ‘Waarom spreken juristen niet gewoon Nederlands?’

Zoals alle professionals gebruiken ook juristen vaktaal. Een taal die niet-juristen niet spreken. En dat levert een kloof op tussen juristen en niet-juristen. Rogier van Dam vraagt zich af: is die kloof te overbruggen?

Juristen gebruiken de Nederlandse taal, met dezelfde grammatica als iedereen. Toch is de juridische taal voor niet-juristen meestal niet te volgen. Hoe dat komt? Algemeen bekend is dat juristen woorden vaak een specifieke betekenis geven, die afwijkt van het normale spraakgebruik. Maar er is meer aan de hand. Vrijwel ons hele juridische systeem is opgebouwd uit taal: een gigantische én verfijnde constructie van begripsbepalingen, hoofdregels, uitzonderingen, rechtsvoorwaarden, weigeringsgronden, uitsluitingsgronden, bevoegdheden, procedures en ga zo maar door. Een over het algemeen logisch en complex systeem, opgebouwd uit taal. Wie die taal niet beheerst, heeft zonder hulp nauwelijks toegang tot het recht.

Hoewel deze kloof tussen aan de ene kant het recht en juristen en aan de andere kant de niet-juristen verklaarbaar is, zijn er genoeg redenen om te proberen die kloof wat kleiner te maken: of het nou gaat om de kenbaarheid en de naleefbaarheid van het recht, of zelfs het vergroten van het vertrouwen in de rechtsstaat. Hieronder volgen drie mogelijkheden om de kloof kleiner te maken.

Mogelijkheid 1: taalniveau

Veel winst kun je al halen door het taalniveau van juridische teksten omlaag te brengen. De Raad van Europa heeft een Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor taalniveaus ontwikkeld: het Common European Framework of Reference for Languages (CEFR). De gestandaardiseerde taalniveaus gaan van A1 (het eenvoudigst) tot en met C2 (het meest complex). Juridische teksten zijn vaak geschreven op C2-niveau, maar daarmee bereik je eigenlijk alleen hoogopgeleiden. Wie kiest voor het meer gangbare B2-niveau bereikt al veel meer mensen. En, zo blijkt, ook C2-lezers vinden het meestal fijner om een B2-tekst te lezen (zoals columns bijvoorbeeld).

In de rechtspraak laat de ‘klare taal’-beweging al zien dat het inderdaad mogelijk is om eenvoudiger te schrijven. De regelgeving is wat minder ver, al geven de aanwijzingen voor de regelgeving (toelichting bij aanwijzing 52) al een voorzichtige aanzet:

‘Indien bij het ontwerpen van een bepaling een sluitende, maar ingewikkelde formulering is gevonden, dient steeds te worden nagegaan of het niet eenvoudiger kan.’

 

Toch proef ik bij juristen regelmatig weerstand tegen het verlagen van het taalniveau: jip-en-janneketaal kan leiden tot een onterechte versimpeling van het recht. Die angst vind ik terecht. De grote valkuil bij het eenvoudig verwoorden van complexe regels is namelijk dat je de regels zelf vereenvoudigt – terwijl je slechts het taalniveau van het recht wil aanpassen, pas je al snel het rechtssysteem zelf aan. Einstein schijnt ooit gezegd te hebben dat alles zo simpel mogelijk moet worden uitgelegd, maar niet simpeler dan het is. En dat lijkt mij de duidelijkste en enige ondergrens bij het verlagen van het taalniveau.

Mogelijkheid 2: complexiteit van het rechtssysteem

Het is heel goed verklaarbaar waarom ons rechtssysteem zo complex is. Het is onder meer een gevolg van onze wens om naast eenduidige algemene regels zo veel mogelijk recht te doen aan de diversiteit van de praktijk. Het is de behoefte aan nuance die complexiteit creëert. Nu zou je kunnen denken dat je de toegankelijkheid alleen kan vergroten door botweg te snoeien in de nuances, met alle gevolgen van dien, maar dat vind ik te makkelijk gedacht. Er valt al veel winst te halen uit de ‘architectuur’ van het recht. Laat ik het zo zeggen: veel wetten ogen als bouwwerken, waar de toegankelijkheid en het gebruiksgemak ondergeschikt zijn aan de bouwkundige efficiëntie. Alsof in een appartementencomplex alle wc’s in de kelder zijn geplaatst, omdat dat makkelijker was voor de aansluiting op de riolering.

Neem de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met een vertrouwde gelaagde structuur en waar op iets meer dan vijfhonderd artikelen ruim honderd keer iets ‘van overeenkomstige toepassing’ wordt verklaard. Hierdoor is de Awb een doolhof waar de gebruiker continu van hot naar her wordt gestuurd om een chronologisch beeld van bijvoorbeeld de bezwaarschriftenprocedure te krijgen. Voor een rechtsgebied waar de niet-jurist het allemaal zelf zou moeten kunnen (want geen verplichte procesvertegenwoordiging) vind ik dat opmerkelijk. Wie de burger meer centraal stelt – zoals bij de ‘responsieve rechtsstaat’ en legal design – zal het rechtssysteem anders vormgeven.

Mogelijkheid 3: interface

Maar ook zonder het taalniveau of het rechtssysteem zelf aan te passen, kun je de toegankelijkheid/gebruiksvriendelijkheid van het recht vergroten: misschien hoef je het rechtssysteem niet te verbouwen, als je maar aanvullend een goede plattegrond of een handige app ontwikkelt. Dat klinkt hip, maar in feite zijn we daar al mee vertrouwd: bijna iedereen doet zijn aangifte inkomstenbelasting via het computerprogramma van de belastingdienst – kennis van de achterliggende wetgeving heb je daar niet voor nodig. Het past ook bij deze tijd: bijna niemand begrijpt de soft- en hardware in zijn mobiele telefoon of auto – en toch kan iedereen ermee over weg. En dat allemaal dankzij de gebruiksvriendelijke koppelingen tussen technologie en de gebruiker. In de wereld van de informatie- en communicatietechnologie noemen ze die koppelingen ‘interfaces’.

Wie het recht beschouwt als immense pakketten data en algoritmes – en die kant gaan we eigenlijk al op – weet dat deze ‘interfaces’ niet alleen handig, maar zelfs noodzakelijk zijn om het recht te ontsluiten. Met de opkomst van legal tech en legal design, waar het recht, tech en design worden gecombineerd, verwacht ik dat de juridische interface een bloeiende toekomst tegemoet gaat.

Maar net als bij het verlagen van het taalniveau, dreigt de versimpeling van het rechtssysteem. Het is ook niet eenvoudig om verfijnde rechtsregels te vertalen naar een eenvoudig ogende interface. Zo bepaalt artikel 2 sub e Regeling modelvliegen over drones:

‘de vlucht wordt niet uitgevoerd boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen dan wel boven mensenmenigten of boven spoorlijnen of voor motorrijtuigen toegankelijke verharde openbare wegen, met uitzondering van wegen in 30 km-zones binnen de bebouwde kom en wegen in 60 km-gebieden buiten de bebouwde kom.’

 

Op de site veiligvliegen.nl is dit hapklaar maar ongenuanceerd vertaald naar:

‘Vlieg nooit boven bebouwing, wegen en mensen.’

 

Een tweede risico is dat interfaces het rechtssysteem naar de achtergrond verdringen en aan het zicht gaan onttrekken. Want als er een handige ‘tool’ is, wie – behalve enkele specialisten – zal dan nog de moeite nemen om het rechtssysteem zelf én de tool kritisch te volgen?

Met de razendsnelle technologische ontwikkelingen worden ook de interfaces beter. En als het recht zelf ook meer ‘interfaceproof’ wordt gemaakt, groeien beide naar elkaar toe en wordt het gat tussen het recht en de vertaling steeds kleiner. Uiteindelijk verwacht ik dat beide zo ver integreren, dat goede interfaces onderdeel van het recht zelf worden.

Conclusie

Wie op deze drie mogelijkheden inzet, kan de kloof tussen juristen en niet-juristen kleiner maken.

En de Nederlandse taal – de taal die juist een kloof veroorzaakt tussen juristen en niet-juristen?

Met name door de opmars van technologie, interfaces en legal design wordt duidelijk dat de Nederlandse taal niet meer de enige bouwsteen is van ons rechtssysteem: naast data en algoritmes zullen we meer en meer gebruik maken van beeldtaal (zoals pictogrammen, plaatjes en schema’s). Waarom? Omdat ze vaak meer duidelijkheid bieden dan geschreven teksten. We kennen dit al lang. Wie in de auto stapt hoeft gelukkig niet onderweg uit te stappen om hele lappen tekst met verkeersregels te lezen – die leest gewoon de verkeersborden.

Bron: Radboud Universiteit